zegeboog

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ze·ge·boog
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zegeboog zegebogen
verkleinwoord zegeboogje zegeboogjes

Zelfstandig naamwoord

zegeboog m

  1. een boog opgericht om de zege te vieren.

Gangbaarheid

72 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.