triomf

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tri·omf
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘zegepraal’ voor het eerst aangetroffen in 1509 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord triomf triomfen
verkleinwoord triomfje triomfjes

Zelfstandig naamwoord

triomf m

  1. (oudheid) feestelijke intocht
    • In triomf hield hij zijn intocht in de stad. 
    • De Gallische koning werd door Rome geparadeerd als onderdeel van de triomf van Caesar. 
  2. grootse overwinning of prestatie
    • Dit feest belichaamt de triomf van het goede over het kwade. 
    • Kerber (28) heeft na haar indrukwekkende triomf bij het Australian Open eind vorige maand in Melbourne niet veel meer gepresteerd. De nummer twee van de wereldranglijst verloor een partij in de Fed Cup tegen het zegevierende Zwitserland en meldde zich daarna wegens een dijbeenblessure af voor het toernooi in Dubai. [3] 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen