zegepralen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ze·ge·pra·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zegepralen
zegepraalde
gezegepraald
zwak -d volledig

Werkwoord

zegepralen

  1. inergatief met groot vertoon een overwinning vieren
    • In het Rome van de Republiek werd er regelmatig gezegepraald door bevelhebbers die terugkeerden van weer een verovering. 
Synoniemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

zegepralen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zegepraal

Gangbaarheid

53 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.

Verwijzingen