zeeg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zeeg
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘gebogen lijn’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1697 [1] [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord zeeg zegen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zeeg v / m [4] [5] [6] [7]

  1. bolling van een oppervlak of lijn
  2. geit [8]
Afgeleide begrippen
Woordherkomst en -opbouw

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als bijvoeglijk naamwoord

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zeeg zeger zeegst
verbogen zege zegere zeegste

Bijvoeglijk naamwoord

zeeg

  1. (valkerij) aan mensen en de omstandigheden van de jacht gewend zijn van een vogel
    • De eerste fase van de training is het zeeg maken van de vogel. 

Werkwoord

vervoeging van
zijgen

zeeg

  1. enkelvoud verleden tijd van zijgen
    • Ik zeeg. 
    • Jij zeeg. 
    • Hij, zij, het zeeg. 

Gangbaarheid

60 % van de Nederlanders;
57 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen