zindelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zin·de·lijk
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘schoon, proper’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1612 [1]
  • (eigenlijk 'zinnelijk':) afgeleid van zin met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -e- [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zindelijk zindelijker zindelijkst
verbogen zindelijke zindelijkere zindelijkste
partitief zindelijks zindelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

zindelijk [3]

  1. zijn natuurlijke behoeften beheersend
    • de kinderen zijn op die leeftijd meestal nog niet zindelijk 
  2. helder, proper, rein, schoon
  3. ethisch of rationeel zuiver (puur)
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen