vuiligheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vui·lig·heid
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van vuil met het achtervoegsel -ig en met het achtervoegsel -heid.
enkelvoud meervoud
naamwoord vuiligheid vuiligheden
verkleinwoord vuiligheidje vuiligheidjes

Zelfstandig naamwoord

vuiligheid v

  1. dat wat vuil is
    • Wat een vuiligheid was er in dat huis! 
  2. poep.
    • Kun jij die vuiligheid even verwijderen? 
  3. een vuile, gemene uiting
    • Waarom zegt die man zoveel vuiligheden over mensen? 
  4. een gemene streek
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.