bungalow

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

[1] bungalow
[2] vakantiehuisje
Uitspraak
Woordafbreking
  • bun·ga·low
Woordherkomst en -opbouw
  • Via het Gujarati-woord bungalo uiteindelijk afgeleid van het Hindi-woord bangla of bangala, "Bengaals huis". Als zwerfwoord vervolgens in veel talen overgenomen; het Nederlands heeft het woord aan het Engels ontleend.[1]
enkelvoud meervoud
naamwoord bungalow bungalows
verkleinwoord bungalowtje bungalowtjes

Zelfstandig naamwoord

bungalow m

  1. woning zonder bovenverdieping
    “We komen de meest gekke dingen tegen. Zo had iemand in een gelijkvloerse bungalow een traplift opgevoerd. Anderen vragen hypotheekrenteaftrek aan, terwijl ze in een huurhuis wonen.”[2]
  2. vakantiewoning
    Met de vakantie zitten we in een bungalow in de Ardennen.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Nicoline van der Sijs, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen. Veen, Amsterdam / Antwerpen, 2e druk, 2002.
  2. Anouk Eigenraam NRC 18 februari 2015


Engels

enkelvoud meervoud
bungalow bungalows

Zelfstandig naamwoord

bungalow

  1. bungalow