hus

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: húshűs

Angelsaksisch

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

hus o

  1. huis
Overerving en ontlening


Deens

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse hús.
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hus     huset     huse     husene  
genitief   hus     husets     huses     husenes  

Zelfstandig naamwoord

hus o

  1. (bouwkunde) huis
    «Huset havde desuden små rum til køkken og toilet.»
    Het huis had ook kleine ruimten voor de keuken en het toilet.
  2. voorraadschuur
  3. een woon- of verblijfplaats van een dier
  4. (figuurlijk) een politieke, culturele of religieuze eenheid
    «Det europæiske hus vakler, så Merkel og Sarkozy bygger et nyt.»
    Het Europese huis wankelt, zodat Merkel en Sarkozy een nieuw bouwen.
  5. bak, pot
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • [4]: det europæiske hus
het Europese huis
Verwante begrippen

Zelfstandig naamwoord

hus,

  1. onbepaalde vorm genitief enkelvoud van hus


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • hus
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse hús.
Naar frequentie 518
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hus     huset     hus     husa
husene  
genitief   hus'     husets     hus'     husas
husenes  

Zelfstandig naamwoord

hus o

  1. (bouwkunde) huis
  2. bewoners
    «Hele huset ble evakuert.»
    Alle bewoners zijn geëvacueerd.
  3. behuizing
  4. gebouw
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • sette huset på hodet
iets op zijn kop zetten
ondersteboven zetten
overhoop halen

Zelfstandig naamwoord

hus, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van hus



Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • hus
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse hús.
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hus     huset     hus     husa  

Zelfstandig naamwoord

hus o

  1. (bouwkunde) huis
  2. bewoners
  3. behuizing
  4. gebouw
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

hus, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van hus



Zweeds

Zelfstandig naamwoord

hus o

  1. huis
Verbuiging
o enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hus     huset     hus     husen  
genitief   hus     husets     hus     husens  

Zelfstandig naamwoord

hus, o

  1. onbepaalde vorm genitief enkelvoud van hus

hus, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van hus

hus, mv

  1. onbepaalde vorm genitief meervoud van hus