toon

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Toon

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toon
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord toon tonen
verkleinwoord toontje toontjes

Zelfstandig naamwoord

toon m

  1. (muziek), (natuurkunde) een geluid met een bepaalde herkenbare hoogte, een trilling met een frequentie
    • Hij sloeg op de bel en deze weergalmde op heldere toon. 
  2. intonatie in de gesproken taal, manier van spreken
    • Een sarcastische toon. 
    • je toon bevalt me niet 
  3. sfeer, impliciete boodschap van teksten
    • de toon was luchtig en soms vrolijk 
  4. het karakteristieke geluid van een stem of instrument
    • dit instrument heeft een warme toon. 
  5. kleurschakering door toevoeging van wit of zwart b.v. halftoon
  6. klemtoon, accent
Gelijkklinkende woorden
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • de toon was gezet
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
tonen

toon

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tonen
    • Ik toon. 
  2. gebiedende wijs van tonen
    • Toon! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tonen
    • Toon je? 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen