tonen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • to·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
tonen
toonde
getoond
zwak -d volledig

Werkwoord

tonen

  1. inergatief een bepaalde indruk geven
  2. overgankelijk laten zien
    • Dat toonde hoe moedig en capabel hij werkelijk was. 
  3. overgankelijk duidelijk maken
  4. overgankelijk blijken te bezitten
  5. wederkerend zich ~: zich doen kennen als
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

tonen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord toon
Hyponiemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.