tackle

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

tackle
Uitspraak
Woordafbreking
  • tac·kle
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Engels
enkelvoud meervoud
naamwoord tackle tackles
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tackle m [1]

  1. (sport) aanval op de (benen) speler die in balbezit is m.n. bij rugby en voetbal
    • Een kwartier voor tijd benutte Twente-speler Mateusz Klich een strafschop. In de laatste minuten kreeg Vitesse-spits Lewis Baker nog een rode kaart vanwege een tackle op Klich. [2] 
Hyperoniemen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders
92 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen