taak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • taak
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘opdracht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord taak taken
verkleinwoord taakje taakjes

Zelfstandig naamwoord

taak v/m

  1. een te verrichten werk
    • Liesbeth List (1941) zingt Pastorale nog steeds. Noodgedwongen met andere zangers dan Ramses Shaffy. Die hebben de onmogelijke taak om de op 1 december 2009 overleden zanger te doen vergeten. De stem van Shaffy lijkt in Pastorale op die van God zelf. Een zonnegod dan. Zijn woorden verheffen zich boven het aardse en dwingen zijn frêle tegenspeelster het gezicht naar de hemel te richten. [2] 
    • `Het is onze taak; zegt de man, terwijl hij op zijn hurken zit, en Sam kan zich niet aan de indruk onttrekken dat je zo voor een hond gaat zitten als je hem wilt ontluizen, 'om de veiligheid van de burgers te garanderen. [3] 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
taken

taak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van taken
    • Ik taak. 
  2. gebiedende wijs van taken
    • Taak! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van taken
    • Taak je? 

Verwijzingen

  1. Chronologisch Woordenboek, Nicoline van der Sijs
  2. Spits, Frits De Standaards van Spits [2015] ISBN 978-90-245-6871-0 pagina 65
  3. Grunberg, Arnon De man zonder ziekte [2011] ISBN 978-90-388-0205-3 pagina 83