lestaak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • les·taak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord lestaak lestaken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

lestaak v/m

  1. alle werk dat een docent moet doen om les te kunnen geven
    • Meestal doen decanen en stagebegeleiders hun werk naast hun onderbetaalde lestaken op school. Overbelasting door het lesgeven zit goed decanaat en zinnig begeleiden van stages in de weg. [1] 
    • Het valse dilemma dat het onderwijzend personeel verdeelt in vakmensen en opvoeders heeft genoeg schade aangericht. De docent moet zich met toewijding aan zijn lestaak kunnen wijden en niet gediskwalificeerd worden als lesboer. Deze denigrerende benaming is inmiddels geijkt en al in het woordenboek opgenomen. Een ideale leraar is volgens de Zuid-Hollandse commissaris Franssen hoogopgeleid en kan zelf nadenken. Dat laatste is kennelijk niet meer vanzelfsprekend voor een hoogopgeleide professional. [2] 

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. Het Parool 1 SEPTEMBER 2018 'Mbo-stagiair redt het niet zonder thuisnetwerk'
  2. Reformatorisch Dagblad 29-01-2008 Onderwijs lijdt onder ideologische terreur