opgave

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·ga·ve
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord opgave opgaven
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

opgave v/m

  1. (wiskunde) rekensom, raadsel
    • De opgaven in deze toets zijn meerkeuzevragen. 
  2. een moeilijke klus, onderneming
    • Het winnen van deze wedstrijd zal een schier onmogelijke opgave zijn. 
  3. het opgeven (van de strijd)
    • Na de opgave van zijn tegenstander ging de tennisser automatisch door in het toernooi. 
  4. een document dat financiële activiteiten samenvat
    • Ik heb een opgave ontvangen van mijn betaalde premies. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.