zorgtaak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zorg·taak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zorgtaak zorgtaken
verkleinwoord zorgtaakje zorgtaakjes

Zelfstandig naamwoord

zorgtaak v / m

  1. de taak om zorg te geven.
    • De gemeenten hebben van de overheid een zorgtaak gekregen. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.