hoofdtaak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoofd·taak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hoofdtaak hoofdtaken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hoofdtaak v/m [1]

  1. wat de belangrijkste taak van iets of iemand is
    • In het oer-Haagse etablissement De Posthoorn onderstreept Van Walsum hoe belangrijk het voor Nederland is zich kandidaat te stellen: „In de Veiligheidsraad zit je in een league waar je voor allerlei dingen gevraagd wordt. Je laat jouw beurt toch niet voorbij gaan? Dat zou idioot zijn. De hoofdtaak van een functionaris van de buitenlandse dienst is continu proberen de invloed van Nederland te maximaliseren. Daar ben je de godganse tijd mee bezig. Daarom moet je proberen in de Veiligheidsraad te komen.”[2] 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Mark Kranenburg 28 juni 2016