herstel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • her·stel
enkelvoud meervoud
naamwoord herstel -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

herstel o

  1. een terugkeer naar een vorige toestand
    Zijn herstel ging erg snel en hij kon spoedig weer aan het werk.
  2. iets weer in een goede toestand terugbrengen
    Herstel voor dat voorwerp was niet meer mogelijk.
  3. een vergoeding voor leed
    Wij betalen u volledig herstel.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
herstellen

herstel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van herstellen
    Ik herstel.
  2. gebiedende wijs van herstellen
    Herstel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van herstellen
    Herstel je?