herstel
Uiterlijk
- her·stel
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | herstel | - |
| verkleinwoord | - | - |
het herstel o
- een terugkeer naar een vorige toestand
- Zijn herstel ging erg snel en hij kon spoedig weer aan het werk.
- ▸ In de periode van mijn herstel bezocht ik Nadja in haar appartement en een oorlogsliefde bloeide op.[1]
- iets weer in een goede toestand terugbrengen
- Herstel voor dat voorwerp was niet meer mogelijk.
- een vergoeding voor leed
- Wij betalen u volledig herstel.
|
|
1. een terugkeer naar een vorige toestand
| vervoeging van |
|---|
| herstellen |
herstel
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van herstellen
- Ik herstel.
- gebiedende wijs van herstellen
- Herstel!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van herstellen
- Herstel je?
- ▸ 'Ik herstel snel.[2]
- Het woord herstel staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "herstel" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[3] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024582280 - ↑ “Nieuws uit de kosmos” (2024), Fontaine Uitgevers
, ISBN 9789464043075 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be