samenstel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sa·men·stel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord samenstel samenstellen
verkleinwoord samenstelletje samenstelletjes

Zelfstandig naamwoord

samenstel o [1]

  1. uit delen gevormd geheel

Werkwoord

vervoeging van
samenstellen

samenstel

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van samenstellen
    • ... dat ik samenstel. 

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
72 % van de Vlamingen.

Verwijzingen