uitstel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·stel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uitstel -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

uitstel o [2]

  1. het uitstellen, de verschuiving tot later
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Van uitstel komt afstel
letterlijk, wanneer iets wordt uitgesteld wordt het nooit meer gedaan
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
uitstellen

uitstel

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitstellen
    • ... dat ik uitstel. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen