uitstel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·stel

Werkwoord

vervoeging van
uitstellen

uitstel

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitstellen
    • ... dat ik uitstel. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.