snap

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • snap

Werkwoord

vervoeging van
snappen

snap

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snappen
    • Ik snap. 
  2. gebiedende wijs van snappen
    • Snap! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snappen
    • Snap je? 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be