snap

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • snap

Werkwoord

vervoeging van
snappen

snap

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snappen
    • Ik snap. 
  2. gebiedende wijs van snappen
    • Snap! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snappen
    • Snap je? 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
92 % van de Vlamingen.