snauwen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • snau·wen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
snauwen
snauwde
gesnauwd
zwak -d volledig

Werkwoord

snauwen

  1. iemand op geïrriteerde toon kortaf toespreken
    De boze leraar snauwde tegen de leerlingen die alweer hun huiswerk niet hadden gemaakt.