hap

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hap
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hap happen
verkleinwoord hapje hapjes

Zelfstandig naamwoord

hap m

  1. beet, wat men in mond genomen heeft
  2. (informeel) voedsel bedoeld om een maaltijd te vormen
    Zullen we daar een hapje gaan eten?
  3. de hele ~ de gehele zooi
    We hebben die hele hap maar in de prullenbak gegooid.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen