hap

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hap
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hap happen
verkleinwoord hapje hapjes

Zelfstandig naamwoord

hap m

  1. beet, wat men in mond genomen heeft
  2. (informeel) voedsel bedoeld om een maaltijd te vormen
    • Zullen we daar een hapje gaan eten? 
  3. (informeel) een minderwaardige maaltijd
     Het Duitse reizen staat in het teken van de haast en de productiviteit: zo snel mogelijk van Hamburg naar München in een hard geveerde BMW, met een korte stop voor een vette hap in de Raststätte.[2]
  4. de hele ~ de gehele zooi
    • We hebben die hele hap maar in de prullenbak gegooid. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
happen

hap

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van happen
    • Ik hap. 
  2. gebiedende wijs van happen
    • Hap! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van happen
    • Hap je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. hap op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink Weblink bron Peter Giesen “Route Nationale 7, leuker dan de Route du Soleil” (30 juli 2014), de Volkskrant