hap

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hap
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hap happen
verkleinwoord hapje hapjes

Zelfstandig naamwoord

hap m

  1. beet, wat men in mond genomen heeft
  2. (informeel) voedsel bedoeld om een maaltijd te vormen
    • Zullen we daar een hapje gaan eten? 
  3. de hele ~ de gehele zooi
    • We hebben die hele hap maar in de prullenbak gegooid. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
happen

hap

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van happen
    • Ik hap. 
  2. gebiedende wijs van happen
    • Hap! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van happen
    • Hap je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen