snappen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • snap·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
snappen
snapte
gesnapt
zwak -t volledig

Werkwoord

snappen

  1. iets vatten in de zin van begrijpen, doorhebben
    • Ik snap er niets van. 
  2. iemand vatten in de zin van betrappen
    • De dief werd gesnapt. 
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.