beschimpen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·schim·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beschimpen
beschimpte
beschimpt
zwak -t volledig

Werkwoord

beschimpen

  1. (overgankelijk) met scheldwoorden overladen
    Hij werd beschimpt en bespot.
Vertalingen