gemakkelijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·mak·ke·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gemakkelijk gemakkelijker gemakkelijkst
verbogen gemakkelijke gemakkelijkere gemakkelijkste
partitief gemakkelijks gemakkelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

gemakkelijk

  1. geen moeite of inspanning vereisend
    • Alle leerlingen vonden dat een gemakkelijke proefwerkopgave. 
  2. comfortabel.
    • Hij installeerde zich in die gemakkelijke stoel. 
  3. bereidwillig om zich aan te passen
    • Wij vonden haar erg gemakkelijk in de omgang. 
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • veilig en lekker gemakkelijk

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl