gemakkelijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·mak·ke·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gemakkelijk gemakkelijker gemakkelijkst
verbogen gemakkelijke gemakkelijkere gemakkelijkste

Bijvoeglijk naamwoord

gemakkelijk

  1. geen moeite of inspanning vereisend
    Alle leerlingen vonden dat een gemakkelijke proefwerkopgave.
  2. comfortabel.
    Hij installeerde zich in die gemakkelijke stoel.
  3. bereidwillig om zich aan te passen
    Wij vonden haar erg gemakkelijk in de omgang.
Uitdrukkingen en gezegden
  • veilig en lekker gemakkelijk