makkelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mak·ke·lijk
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘eenvoudig’ voor het eerst aangetroffen in 1327 [1]
  • afgeleid van gemak met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -e- [2]
  • afkorting van gemakkelijk
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen makkelijk makkelijker makkelijkst
verbogen makkelijke makkelijkere makkelijkste
partitief makkelijks makkelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

makkelijk

  1. niet moeilijk, waar weinig moeite en inspanning voor vereist is
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen