roeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • roe·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
roeren
roerde
geroerd
zwak -d volledig

Werkwoord

roeren

  1. (overgankelijk) een vloeistof met een spaan in ronde beweging brengen
  2. (overgankelijk) een emotie in iemand oproepen
    Dat roerde hem zeer.
  3. (wederkerend): zich ~: zich bewegen
    Het konijn roerde zich niet en wachtte geduldig tot de vos verdwenen was.
  4. (wederkerend): zich ~: in opstand komen
    De bergbewoners van de Kaukasus roeren zich weer als vanouds.
  5. (wederkerend): zich ~: geluid (herrie) maken
    De ongeduldige jongelui roerden zich tijdens het concert met boegeroep en andere ongein.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Spreekwoorden
  • tot tranen toe geroerd zijn
  • zeer sterk ontroerd zijn
  • de trom roeren
  • op de trommel slaan
  • maart roert zijn staart
  • de laatste dagen van maart kunnen nog guur en koud weer geven
  • zich niet kunnen roeren
  • zich niet kunnen bewegen

Zelfstandig naamwoord

roeren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord roer