beroeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
beroeren beroerend
beroering beroerd


Woordafbreking
  • be·roe·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van roeren met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beroeren
beroerde
beroerd
zwak -d volledig

Werkwoord

beroeren

  1. overgankelijk onrust veroorzaken, in onrustige beweging brengen
    • De komst van de grote groep motorrijders beroerde de gemoederen in het kleine dorpje. 
  2. overgankelijk aanraken
    • In de beschutting van het struikgewas betraden zij voor het eerst het pad van de liefde en beroerden elkaars lippen. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.