bouger

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Frans

Uitspraak
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bouger
bougeais
bougé
volledig

Werkwoord

bouger

  1. bewegen, zich verroeren
    «Les colis renfermant des matières et objets de la classe 1 doivent être chargés et arrimés dans les wagons de manière à ne pouvoir s’y déplacer ou bouger
    Colli met stoffen en voorwerpen van klasse 1 moeten zodanig in de wagens worden geladen en gestuwd, dat ze zich niet kunnen verplaatsen of bewegen.
    «Il n'a pas bougé le petit doigt.»
    Hij heeft geen vinger uitgestoken. [1]
  2. (spreektaal) vertrekken, gaan
  3. (spreektaal) opschieten
    «Allez, bouge-toi!»
    Vooruit, opschieten! [1]

Verwijzingen