ontroeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
ontroeren ontroerend
ontroering ontroerd
Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·roe·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontroeren
ontroerde
ontroerd
zwak -d volledig

Werkwoord

ontroeren

  1. (overgankelijk) gevoelens van medeleven, vertedering of getroffenheid oproepen
    Onwillekeurig werd hij ontroerd door de aanhankelijkheid waarmee het kind hem begroette.
Vertalingen