reserve

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·ser·ve
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord reserve reserves
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

reserve v/m

  1. iemand die of iets wat voor later gebruik opzijgezet is of wordt
    • De reserves waren door de tegenvallers aardig geslonken. 
     Na het nemen van de afslag ziet de weg naar boven er nog even mild uit, maar dan begint het asfalt al snel te welven. Er is minder dan een handvol haarspeldbochten, maar de hellingsgraden slopen de eerste reserves uit de benen.[2]
  2. omzichtigheid, terughoudendheid
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. reserve op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink Weblink bron Rob Gollin “De helling van de mooie meisjes knijpt de renner de keel dicht” (10 juli 2019), de Volkskrant


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
reservar

reserve

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van reservar
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van reservar
  3. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van reservar