invaller

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·val·ler
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord invaller invallers
verkleinwoord invallertje invallertjes

Zelfstandig naamwoord

invaller m

  1. Iemand die plotseling de taak van iemand anders moet overnemen.
    • Hij speelde één interland: op 27 september 1953 speelde hij als invaller bij het Nederlands voetbalelftal 20 minuten in de vriendschappelijke wedstrijd tegen Noorwegen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be