Naar inhoud springen

personeel

Uit WikiWoordenboek
  • per·so·neel
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘medewerkers’ voor het eerst aangetroffen in 1861 [1]
  • afgeleid van persoon met het achtervoegsel -eel [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord personeel -
verkleinwoord - -

hetpersoneelo [3]

  1. de personen die een bedrijf in loondienst heeft
    • "Ik wens u een groot personeel" is een oude joodse vloek. 
     Ook in Zwolle is verslagen gereageerd. De restaurants van Boer in de stad die vanavond open waren sloten hun deuren om het personeel de mogelijkheid te geven om het nieuws van zijn dood te verwerken. "Hij was meer dan een topkok", zegt burgemeester van Zwolle Peter Snijders. "Hij was een vernieuwer, een inspiratiebron en een trotse ambassadeur van onze stad."[4]
     Toen Arend nog leefde, had ze de hooghartige blik van een barones die haar personeel aanschouwde.[5]
  • het onderwijzend personeel
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen personeelpersonelerpersoneelst
verbogen personelepersonelerepersoneelste
partitief personeelspersonelers-

personeel [6]

  1. betrekking hebbend op het personeel
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[7]