openen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ope·nen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘ontsluiten’ voor het eerst aangetroffen in 1300 [1]
  • afgeleid van open met het achtervoegsel -en [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
openen
opende
geopend
zwak -d volledig

Werkwoord

openen

  1. overgankelijk laten beginnen, in bedrijf brengen
    • Hij opende het vuur op het vijandelijke leger. 
     In 1989 nam Henriroux de zaak over. 'We zijn trots op onze geschiedenis, maar proberen altijd vooruit te denken', zegt hij. Henriroux opende een hotel en een tweede restaurant waar je goed kunt eten tegen redelijke prijzen.[3]
  2. overgankelijk ontsluiten, openmaken wat afsluit of wat gesloten is
    • Open jij het slot even? 
     Terwijl ik goedkeurend met mijn vinger langs de vergulde lambrisering streek, de dikte voelde van de stof van de zware, oker overgordijnen en de stoel wegschoof om de openslaande deuren te openen naar het terras, dat uitzicht bood op de rozentuin, of wat daarvan over was, en de vijver met de defecte fontein, bedacht ik dat ik nog tijd genoeg zou hebben om deze kamer en detail te beschrijven.[4]
  3. overgankelijk openstellen, toegankelijk maken
    • Gisteren is het jachtseizoen geopend. 
  4. overgankelijk (informatica) een bestand inladen
    • Ga naar het bureaublad en open het EXE-bestand. 
  5. wederkerend zich ~
    • Bij dageraad openen zich al de bloemen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen