openen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ope·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
openen
opende
geopend
zwak -d volledig

Werkwoord

openen

  1. overgankelijk laten beginnen, in bedrijf brengen
    • Hij opende het vuur op het vijandelijke leger. 
  2. overgankelijk ontsluiten, openmaken wat afsluit of wat gesloten is
    • Open jij het slot even? 
  3. overgankelijk openstellen, toegankelijk maken
    • Gisteren is het jachtseizoen geopend. 
  4. overgankelijk (informatica) een bestand inladen
    • Ga naar het bureaublad en open het EXE-bestand. 
  5. wederkerend zich ~
    • Bij dageraad openen zich al de bloemen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen