openlucht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • open·lucht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord openlucht -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

openlucht v/m

  1. in de ~: buiten de deur, onder blote hemel
    • We kunnen de voorstelling ook in de openlucht houden, mits het weer meezit. 
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be