openlijk
Uiterlijk
- open·lijk
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | openlijk | openlijker | openlijkst |
| verbogen | openlijke | openlijkere | openlijkste |
| partitief | openlijks | openlijkers | - |
openlijk
- zonder te verbergen, in het openbaar
- Hij liet zijn voorkeur openlijk blijken.
- ▸ En waren homoseksuele mannen wel bereid om openlijk hun seksuele geaardheid aan de keuringsartsen te melden? Nog beter zou het zijn als mannen die seksuele contacten met mannen hadden zich vrijwillig als bloeddonor zouden terugtrekken.[1]
- ▸ Anton - stil, met droge humor, sentimenteel, openlijk huilend bij films en soms bij het schouwspel buiten het raam - Anton is het hart van het ruimteschip.[2]
1. zonder te verbergen, in het openbaar
- Het woord openlijk staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "openlijk" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ Roel Coutinho“Epidemieën en pandemieën” (2020), Athenaeum - Polak & Van Gennep
, ISBN 9789025310592 - ↑ Samantha Harvey“In Orbit” (2024), De Bezige Bij
, ISBN 9789403135625 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Achtervoegsel -lijk in het Nederlands
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 98 %