omroep

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Studio van een omroep [1]

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·roep
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord omroep omroepen
verkleinwoord omroepje omroepjes

Zelfstandig naamwoord

omroep m

  1. (communicatie) een organisatie die zich richt op het verzorgen van radio- of televisieprogramma's
  2. (communicatie) het, doorgaans via een geluidsinstallatie, geven van gesproken mededelingen, berichten en oproepen, vanuit een centraal punt naar een algemeen publiek, omstanders, passagiers etc.
    • De omroep in de trein laat niets te wensen over, de berichten aan de reizigers zijn goed verstaanbaar. 
Antoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: de publieke omroep
  • [1]: Nederlandse omroepen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
omroepen

omroep

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van omroepen
    • ... dat ik omroep. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen