omroepgids

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

inhoud van een omroepgids
Uitspraak
Woordafbreking
  • om·roep·gids
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord omroepgids omroepgidsen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

omroepgids m [1]

  1. tijdschrift uitgegeven door een omroeporganisatie waarin je kunt lezen welke radio- of televisieprogramma's, op welke tijd en op welke zender worden uitgezonden en waarin ook programma's beschreven worden
    • De vrouw had in het programma enkel verteld dat ze vijf keer zwanger was geraakt nadat ze door een familielid was misbruikt, maar ze had nooit haar vader vernoemd als dader. Haar familie beweerde achteraf dat ze alles had verzonnen. De omroep geeft nu toe smaad te hebben gepleegd en zal een rechtzetting plaatsen in de omroepgids. [2] 
    • Vroeger heette de bubbel een 'zuil'. Zelf groeide ik op in de protestantse bubbel, met een protestantse krant (Trouw), een protestantse omroepgids (NCRV), twee protestantse bakkers en kruideniers, een protestantse bloemenwinkel, een protestantse voetbalclub, een protestantse school en een protestantse kerk. En dan vergeet ik vast nog een paar elementen die de bubbel sterk en bijna ondoordringbaar maakten, zelfs in een Achterhoeks stadje waar de overgrote meerderheid van de inwoners katholiek was. [3] 
Synoniemen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 12 JUNI 2002 Tom De Leur en Frank De Graeve
  3. Volkskrant Bert Wagendorp 4 maart 2017