toehoorder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toe·hoor·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord toehoorder toehoorders
verkleinwoord toehoordertje toehoordertjes

Zelfstandig naamwoord

toehoorder m

  1. (communicatie) iemand die luistert naar wat gezegd of gespeeld wordt maar niet actief meedoet
    • Hij was alleen maar als toehoorder bij de vergadering aanwezig, hij had geen spreekrecht en ook geen stemrecht. 
    • Er waren 700 toehoorders aanwezig tijdens het openluchtoptreden van de popmuzikant. 
Synoniemen
  1. publiek, luisteraar
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be