majo

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: mayomaillot


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·jo
Woordherkomst en -opbouw
  • [1] (letterwoord) van  Marie   en  Johan  , naar de voornamen van de ontwerper Johan Bubberman en diens vrouw
    Vermoedelijk ook een stilzwijgende verwijzing naar het Mayo op Wikipedia (en) watervliegtuig dat bestond uit een klein vliegtuig bovenop een groter vliegtuig, aangezien dit kacheltje in combinatie met een grotere kachel werd gebruikt [1]
  • [2] van Spaans  majo zn 
enkelvoud meervoud
naamwoord majo majo's
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

majo m

  1. (huishouden) (geschiedenis) (Nederland) noodkacheltje waarop in de Hongerwinter toch gekookt kon worden omdat het kon branden op klein gemaakte stukjes hout, in plaats van de schaars geworden brandstoffen
     Leiden is een niet al te grote stad; het UVS-terrein is dank zij de hongerwinter zijn overdekte tribune kwijt geraakt ("in de majo, meneer") (…)[2]
  2. (geschiedenis) (Spanje, vooral 19e eeuw) benaming voor een jongeman uit de volksklasse die zich stoer gedraagt en veel aandacht besteed aan kleding en uiterlijk
      Hij zelf was pachter van rijke weidegronden op de eilanden gelegen in den mond der Guadalquivir; en gewoon als hij was te leven in den zadel te midden zijner zeer talrijke kudden rundvee, was er geen jongman in Andalusië, die beter te paard zat of beter de lans, de werpspies of ook wel den degen tegen een woedenden stier hanteerde; waarvan hij den naam had gekregen van een uitnemend stierenbevechter te zijn en een echte majo, hetgeen wij zouden noemen een eersten Baas in alles.[3]
Synoniemen
Verwante begrippen
Opmerkingen

Gangbaarheid

55 % van de Nederlanders;
32 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 2 mei 2020 Weblink bron Karel Knip “Kachelgedenken” (27 april 2013) op nrc.nl
  2. Bronlink geraadpleegd op 2 mei 2020 Weblink bron Herman Voetbal – op aller lippen in: Sportkroniek; weekblad voor sport, jrg. 46 nr. 35 (1 september 1947), J. Waltman, Delft, p. 489 kol. 4
  3. Bronlink geraadpleegd op 2 mei 2020 Weblink bron W.F. Scholten tot Gansoijen Mengelwerk. : De twee Spanjaarden. in: Vaderlandsche Letteroefeningen., jrg. 99 deel 2 (1859), P. Ellerman, Amsterdam, p. 681 op Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren op Wikipedia
  4. Bronlink geraadpleegd op 2 mei 2020 Weblink bron Robert-Henk Zuidinga Buma en Heino: de rage van de afko in: Onze Taal., jrg. 56 nr. 12 (december 1987), Genootschap Onze Taal, Den Haag, p. 175
  5. Bronlink geraadpleegd op 2 mei 2020 Weblink bron G. De Schutter Woorden kiezen: nieuw en oud in het lexicon van Nederlandse dialecten in Belgie in: Taal en Tongval., jrg. 39. nr. 1/2 (1987), V.F. Vanacker, Gent/St.-Amandsberg / J.B. Berns, Amsterdam, p. 93
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Esperanto

  enkelvoud meervoud
nominatief   majo     majoj  
accusatief   majon     majojn  

Zelfstandig naamwoord

majo

  1. mei


Maanden in het Esperanto
januaro
januari
februaro
februari
marto
maart
aprilo
april
majo
mei
junio
juni
julio
juli
aŭgusto
augustus
septembro
september
oktobro
oktober
novembro
november
decembro
december


Spaans

  enkelvoud meervoud
mannelijk majo majos
vrouwelijk maja majas

Bijvoeglijk naamwoord

majo

  1. knap, mooi
  2. lief, aardig

Zelfstandig naamwoord

majo

  1. (geschiedenis) (Spanje, vanaf eind 18e tot begin 20e eeuw) majo, een jongeman uit de volksklasse die zich stoer gedraagt en veel aandacht besteed aan kleding en uiterlijk
Synoniemen
Verwante begrippen
Overerving en ontlening

Verwijzingen