lief

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lief
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bemind, aardig’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1]
  • van Middelnederlands lief, van Oudnederlands lief, lieva [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen lief liever liefst
verbogen lieve lievere liefste
partitief liefs lievers -

Bijvoeglijk naamwoord

lief

  1. vriendelijk, zachtaardig
     Ze zat vol tegenstrijdigheden, was ontwapenend lief maar kon ook onverwacht fel uit de hoek komen zodra iemand te dichtbij kwam of te veel van haar verwachtte.[3]
  2. mooi, fijngebouwd
enkelvoud meervoud
naamwoord lief lieven
verkleinwoord liefje liefjes

Zelfstandig naamwoord

lief v

  1. de vrouwelijke persoon met wie je verkering hebt


Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Anagrammen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen


Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • lief

Werkwoord

lief

  1. eerste persoon enkelvoud verleden tijd van laufen
  2. derde persoon enkelvoud verleden tijd van laufen


Luxemburgs

Werkwoord

lief

  1. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs van liewen


Middelnederlands

Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Oudnederlandse *liof

Bijvoeglijk naamwoord

lief

  1. geliefd
  2. lief
Afgeleide begrippen


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

lief

  1. lijf


Schots

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Angelsaksische lēof

Bijvoeglijk naamwoord

lief

  1. geliefd
Schrijfwijzen


Veluws

Zelfstandig naamwoord

lief

  1. lijf


Zeeuws

Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Middelnederlandse lijf

Zelfstandig naamwoord

lief

  1. lijf