lief

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lief
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bemind, aardig’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1]
  • van Middelnederlands lief, van Oudnederlands lief, lieva [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen lief liever liefst
verbogen lieve lievere liefste
partitief liefs lievers -

Bijvoeglijk naamwoord

lief

  1. vriendelijk, zachtaardig
  2. mooi, fijngebouwd
enkelvoud meervoud
naamwoord lief lieven
verkleinwoord liefje liefjes

Zelfstandig naamwoord

lief v

  1. de vrouwelijke persoon met wie je verkering hebt
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

lief

  1. lijf


Veluws

Zelfstandig naamwoord

lief

  1. lijf