aardig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aar·dig
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bekoorlijk, mooi’ voor het eerst aangetroffen in 1420 [1]
  • Afgeleid van aard met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen aardig aardiger aardigst
verbogen aardige aardigere aardigste
partitief aardigs aardigers -

Bijvoeglijk naamwoord

aardig

  1. aangenaam in omgang
    • Floris is een aardige jongen. 
  2. flink, behoorlijk, vrij groot
    • Het opharken van de bladeren heeft een aardige berg opgeleverd. 
  3. grappig, geestig, genoeglijk
    • Hij weet van alles een aardig verhaal te maken. 
  4. (in Vlaanderen) raar
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Bijwoord

aardig

  1. aangenaam
     Alles was nieuw voor dat kleine Pietje en hij zou zich zeker diep ongelukkig gevoeld hebben, als de Sint en zijn Pieten niet zo aardig voor hem waren geweest.[2]
  2. zeer, veel
    • Ik heb aardig veel aarde gebruikt bij het ophogen van de tuin. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen