kaars

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een kaars.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kaars
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kaars kaarsen
verkleinwoord kaarsje kaarsjes

Zelfstandig naamwoord

kaars v/m

  1. een staaf of klomp van brandbaar materiaal met een lont
    • Vroeger had men 's nachts slechts kaarsen als verlichting. 
  2. (natuurkunde), (eenheid), (verouderd) oude eenheid van lichtsterkte (de zg. normaalkaars, thans candela)
    • De winkelier zei dat deze lamp een lichtsterkte heeft van 30 cd, vroeger zou men zeggen: "een lamp van 30 kaars.". 
Typische woordcombinaties
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl