uitblazen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·bla·zen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitblazen
blies uit
uitgeblazen
klasse 7 volledig

Werkwoord

(scheidbaar)
uitblazen

  1. inergatief, (figuurlijk) (weer) bijkomen, op adem komen, uitrusten
    • Een weekendje uitblazen aan zee. 
  2. overgankelijk door blazen doven /uitmaken
    • De kaarsjes van een verjaardagstaart uitblazen. 
  3. overgankelijk (adem, lucht, rook e.a.) naar buiten blazen
    • Zijn laatste adem uitblazen. 
    • De rook uitblazen. 
  4. overgankelijk door blazen leegmaken, schoonmaken of zuiveren
    • Eieren uitblazen. 
  5. overgankelijk (glasblazerij) glas door blazen zijn definitieve vorm geven
  6. overgankelijk, (muziek) een muziekstuk ten einde blazen
  7. overgankelijk, (financieel) rekeningen of onkosten betalen
  8. overgankelijk, (verouderd) leegdrinken
  9. overgankelijk, (verouderd) leegschieten
  10. overgankelijk ten einde blazen
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.