uitblazen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·bla·zen
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van blazen met het voorvoegsel uit-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitblazen
blies uit
uitgeblazen
klasse 7 volledig

Werkwoord

(scheidbaar)
uitblazen

  1. (inergatief) uitrusten
    Een weekendje uitblazen aan zee.
  2. (overgankelijk) doven door te blazen
    De kaarsjes van een verjaardagstaart uitblazen.
  3. (overgankelijk) naar buiten doen gaan door te blazen
    Zijn laatste adem uitblazen.
    De rook uitblazen.
  4. (overgankelijk) leegmaken of schoonmaken door te blazen
    Eieren uitblazen.
Vertalingen