doven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Doven.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·ven
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doven
/ˈdovə(n)/
doofde
/ˈdovdə/
gedoofd
/ɣəˈdoft/
zwak -d volledig

Werkwoord

doven

  1. (overgankelijk) een vlam uit doen gaan
    De brandweer wist het vuur snel te doven.
    Iemand heeft het vuur gedoofd.
    Het vuur is vanzelf gedoofd.
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

doven mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord dove

Meer informatie


Deens

Bijvoeglijk naamwoord

doven

  1. lui