doven

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Doven.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·ven
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘uitdoen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1611 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doven
/ˈdovə(n)/
doofde
/ˈdovdə/
gedoofd
/ɣəˈdoft/
zwak -d volledig

Werkwoord

doven

  1. overgankelijk een vlam uit doen gaan
    • De brandweer wist het vuur snel te doven. 
    • Iemand heeft het vuur gedoofd. 
    • Het vuur is vanzelf gedoofd. 
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

doven mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord dove

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Deens

Bijvoeglijk naamwoord

doven

  1. lui