jakt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jakt

Werkwoord

vervoeging van
jakken

jakt

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jakken
    • Jij jakt. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jakken
    • Hij jakt. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van jakken
    • Jakt! 


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • jakt
Naar frequentie 3238
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   jakt     jakten     jakter     jakterna  
genitief   jakts     jaktens     jakters     jakternas  

Zelfstandig naamwoord

jakt, g

  1. jacht (bejagen van wild)
    «Ofta sker jakten från ett torn eller en annan upphöjd plats.»
    Vaak wordt de jacht van een toren of een andere verhoogde plaats uitgevoerd.
  2. jacht (door de politie naar misdadigers)
  3. jacht (vaartuig)
Afgeleide begrippen