jachtseizoen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jacht·sei·zoen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord jachtseizoen jachtseizoenen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

jachtseizoen o

  1. de periode waarin er gejaagd mag worden (op een bepaalde wildsoort)
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie