hale

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·le

Werkwoord

vervoeging van
halen

hale

  1. aanvoegende wijs van halen


Deens

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Werkwoord: Afkomstig van het Middelnederduitse woord "halen"
  • Zeldstandig naamwoord: Afkomstig van het Oudnoorse woord hali
Naar frequentie 4322
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
hale
haler
halede
halet
volledig

Werkwoord

hale

  1. (langzaam en gelijkmatig) trekken, eruittrekken
  2. (figuurlijk) eruit halen
  3. (figuurlijk) slepen
  4. halen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [4]: hale ind på
inhalen
  • [4]: hale torsk i land
    [1]: hive torsk i land
    [1]: trække torsk i land
ronken, snurken
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hale     halen     haler     halerne  
genitief   hales     halens     halers     halernes  

Zelfstandig naamwoord

hale g

  1. (zoötomie) staart (van een dier)
  2. (anatomie) achterwerk, billen, kont, zitvlak
  3. (astronomie) staart (van een komeet)
  4. (figuurlijk) achterdeel, achterkant (b.v. van een trein of een vliegtuig)
  5. (figuurlijk) een staartachtige streep of rij (b.v. van kinderen)
Synoniemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Typische woordcombinaties
  • [1]: busket hale
een dichtbegroeide staart
  • [1]: kort hale
een korte staart
  • [1]: lang hale
een lange staart
  • [1]: logre med halen
kwispelen met zijn staart
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: binde i halen på
een financiële steun verlenen aan
  • [1]: krølle på halen (historien, ..)
clou, topper (in een verhaal, in een gevecht, ...
  • [1]: stikke halen mellem benene
de staart tussen de benen trekken
  • [2]: bide sig selv i halen
je heel erg ergeren aan een eigen fout
  • [2]: falde på halen
diep onder de indruk zijn
  • [2]: hverken hoved eller hale
    [5]: uden hoved eller hale
    [5]: uden hoved og hale
krakkemikkig in elkaar zitten
zonder concept en structuur
  • [2]: sætte sig på halen
vallen, zodat je landt op de billen
  • [5]: i halen af
    i halen på
direct achterna


Hawaïaans

Zelfstandig naamwoord

hale

  1. huis


Noors

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Werkwoord: Afkomstig van het Oudnoorse woord hala, dat van het Nederduitse woord "halen" komt
  • Zelfstandig naamwoord: Afkomstig van het Oudnoorse woord hali
Naar frequentie 6543
vervoeging
onbepaalde wijs hale hale
tegenwoordige tijd haler haler
verleden tijd halet
hala
halte
voltooid
deelwoord
halet
hala
halt
onvoltooid
deelwoord
halende halende
lijdende vorm hales hales
gebiedende wijs hal hal
vervoegingsklasse Klasse 1 zwak Klasse 2 zwak
opmerking optioneel

Werkwoord

hale

  1. (onovergankelijk) (krachtig en gelijkmatig) trekken
  2. (onovergankelijk) slepen
  3. (onovergankelijk) halen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [3]: hale seieren i land
de overwinning in het land halen
de zege halen


  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hale     halen     haler     halene  
genitief   hales     halens     halers     halenes  

Zelfstandig naamwoord

hale m

  1. (zoötomie) staart (van een dier)
  2. (anatomie) achterwerk, billen, kont, zitvlak
  3. (astronomie) staart (van een komeet)
    «Kometen har en lang, lysende hale
    De komeet heeft een lange, lichtgevende staart.
  4. (figuurlijk) achterdeel, achterkant (b.v. van een trein of een vliegtuig)
  5. (figuurlijk) een staartachtige streep of rij (b.v. van kinderen)
Synoniemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • [1]: logre med halen
kwispelen met zijn staart
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: stikke halen mellem beina
de staart tussen de benen trekken
ook: zich beschaamd terugtrekken
  • [2]: sette seg på halen
zich op de billen zetten


Nynorsk

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Werkwoord: Afkomstig van het Oudnoorse woord hala, dat van het Nederduitse woord "halen" komt.
  • Zelfstandig naamwoord: Afkomstig van het Oudnoorse woord hali.
vervoeging
onbepaalde wijs hale
hala
hale
hala
tegenwoordige tijd halar haler
verleden tijd hala halte
voltooid
deelwoord
hala halt
onvoltooid
deelwoord
halande halande
lijdende vorm halast halast
gebiedende wijs hal
hala
hale
hal
vervoegingsklasse Klasse 1 zwak Klasse 2 zwak
opmerking optioneel optioneel

Werkwoord

hale

  1. (onovergankelijk) (krachtig en gelijkmatig) trekken
  2. (onovergankelijk) slepen
  3. (onovergankelijk) halen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [3]: hale sigeren i land
de overwinning in het land halen
de zege halen


  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hale     halen     halar     halane  

Zelfstandig naamwoord

hale m

  1. (zoötomie) staart (van een dier)
  2. (anatomie) achterwerk, billen, kont, zitvlak
  3. (astronomie) staart (van een komeet)
    «Kometen hadde ein lang, lysande hale
    De komeet had een lange, lichtgevende staart.
  4. (figuurlijk) achterdeel, achterkant (b.v. van een trein of een vliegtuig)
  5. (figuurlijk) een staartachtige streep of rij (b.v. van kinderen)
Synoniemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • [1]: logre med halen
kwispelen met zijn staart
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: stikke halen mellem beina
de staart tussen de benen trekken
ook: zich beschaamd terugtrekken


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
halar

hale

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van halar
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van halar
  3. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van halar


Turks

Woordafbreking
  • ha·le

Zelfstandig naamwoord

hale

  1. datief enkelvoud van hal