inhalen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·ha·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inhalen
haalde in
ingehaald
zwak -d volledig

Werkwoord

inhalen

  1. overgankelijk binnen of binnenboord brengen
    • 's Nachts wordt het net ingehaald en wordt de vangst meteen verwerkt. 
  2. overgankelijk een achterstand (meer dan) goed maken
    • Hij had de man die op kop lag bijna ingehaald. 
     Een aantal dagen later zag ik voor het eerst de slapende vulkaan Mount Shasta in de verte liggen. Ik was goed in vorm, waardoor ik des te gekker opkeek toen iemand mij toch inhaalde.[1]
     De zestien wielrenners uit België fietsten volgens de politie op de weg en niet op het naastgelegen fietspad. De bestuurder van een zwarte auto wilde de groep passeren. Bij het inhalen heeft de automobilist waarschijnlijk twee wielrenners geraakt. Volgens de Belgen was er opzet in het spel.[2]
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 16 mei 2022 Weblink bron “Automobilist die doorreed na ongeluk met wielrenners meldt zich” (16 mei 2022), NOS
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
inhalar

inhalen

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van inhalar
  2. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van inhalar