inhalen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·ha·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inhalen
haalde in
ingehaald
zwak -d volledig

Werkwoord

inhalen

  1. overgankelijk binnen of binnenboord brengen
    • 's Nachts wordt het net ingehaald en wordt de vangst meteen verwerkt. 
  2. overgankelijk een achterstand (meer dan) goed maken
    • Hij had de man die op kop lag bijna ingehaald. 
Antoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
inhalar

inhalen

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van inhalar
  2. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van inhalar