gender

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gen·der
Woordherkomst en -opbouw
  • van het Engels [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord gender genders
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gender o

  1. (sociologie) geheel van sociale, culturele, gedrags- en identiteitsaspecten van een sekse, ter onderscheiding van lichamelijke en biologische aspecten, de (genderidentiteit)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders
92 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
  • IPA: /ʤɛndə/
enkelvoud meervoud
gender genders

Zelfstandig naamwoord

gender

  1. (grammatica) geslacht, genus
  2. sekse, geslacht
vervoeging
onbepaalde wijs to gender
he/she/it genders
verleden tijd gendered
voltooid
deelwoord
gendered
onvoltooid
deelwoord
gendering
gebiedende wijs gender

Werkwoord

gender

  1. voortbrengen


Tsjechisch

Uitspraak
  • IPA: /dʒɛndr/
Woordafbreking
  • gen·der
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels

Zelfstandig naamwoord

gender m onbezield

  1. (sociologie) gender
Verbuiging
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Meer informatie

Verwijzingen

Bijvoeglijk naamwoord

gender

  1. (sociologie) gender-; met betrekking tot het geslacht
Verbuiging
  • Onverbogen
Synoniemen

Verwijzingen